Universitas Scholarium — A Community of Scholars Log In

← Engels: Op Reis door de Taal

Lesson 46

know
46 of 46 lessons

Lesson 46 English for Dutch Speakers: A Latinum Institute Language Course

know - weten

Inleiding

"Know" is het Engelse werkwoord voor "weten" én voor "kennen". Waar het Nederlands twee werkwoorden heeft, heeft het Engels er één:

- weten = een feit, een antwoord of een stuk informatie hebben: "I know the answer." – Ik weet het antwoord. "I know where he lives." – Ik weet waar hij woont. - kennen = vertrouwd zijn met een persoon, plaats of ding: "I know her." – Ik ken haar. "She knows the way." – Ze kent de weg.

Voor jou als Nederlandstalige is dat eerst een gemak: je hoeft in het Engels niet te kiezen. Pas als je van het Engels naar het Nederlands vertaalt, moet je beslissen: een bijzin (that, where, if) of een feit vraagt "weten", een persoon of een plaats vraagt "kennen". Er is nog een derde Nederlandse vertaling: "kunnen". "She knows how to drive" is "Ze kan autorijden". En soms is het "herkennen": "I'd know him anywhere" – Ik zou hem overal herkennen.

De echte moeilijkheden voor Nederlandstaligen liggen ergens anders:

- De uitspraak. In het Nederlands spreek je de k in "knie" en "knoop" uit. In het Engels is de k in "know", "knee" en "knot" stil. "Know" klinkt als "no". - "Know" is een toestandswerkwoord. Het heeft geen -ing-vorm: "I know", niet "I am knowing". En het Nederlandse "Ik ken haar al tien jaar" wordt in het Engels de present perfect: "I have known her for ten years". - "Know how to" + infinitief is "kunnen": "He knows how to swim", niet "He knows to swim". - In een indirecte vraag blijft de woordvolgorde die van een mededeling: "Do you know where he lives?", niet "Do you know where does he live?" - De vormen zijn onregelmatig: know – knew – known.

Herkomst: "know" komt van het Oudengelse cnāwan, en dat gaat terug op een Oergermaanse vorm met dezelfde Indo-Europese wortel als het Nederlandse "kennen". Ook het Engelse "can" en het Nederlandse "kunnen" horen bij die familie: "can" betekende oorspronkelijk "weten hoe je iets moet doen". Het Nederlandse "weten" is verwant aan het Engelse "wit" (dat je nog ziet in "to wit", "witty" en "witness"). Het Oudengels had dus ook meer dan één werkwoord voor dit begrip, zoals het Nederlands nog altijd.

Wat betekent "know" in het Nederlands? Weten: een feit, een antwoord, een bijzin. Kennen: een persoon, plaats of ding. Kunnen: in "know how to". Herkennen: "I'd know her anywhere". In vaste combinaties: "know about" = weten over, weten van; "know of" = weten van het bestaan van; "get to know" = leren kennen; "let someone know" = iemand laten weten; "as far as I know" = voor zover ik weet.

Kernpunten:

- Know = weten én kennen. Eén werkwoord; de Nederlandse vertaling hangt af van wat erna komt (een bijzin of feit: weten; een persoon of plaats: kennen). - Know – knew – known. Na do/does/did blijft het "know": "I didn't know", niet "I didn't knew". - Geen -ing, en voor een toestand die doorloopt de present perfect: "I have known her for ten years", niet "I know her for ten years". - "Know how to" + infinitief = kunnen. "Let me know" = laat het me weten, zonder "to". - In een indirecte vraag geen do/does en geen inversie: "Do you know where he lives?" - De k is stil: "know" /nəʊ/ klinkt als "no".

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Uitspraakgids

know — /nəʊ/ (Brits), /noʊ/ (Amerikaans). Eén lettergreep, rijmt op "go" /ɡəʊ/, "show" /ʃəʊ/ en "no" /nəʊ/.

De k is stil. Hier zit de grootste valkuil voor Nederlandstaligen, want in het Nederlands spreek je de k voor de n wel uit: "knie" [kni], "knoop" [knoːp], "kennen" [ˈkɛnə]. Het Engels doet dat niet. Zeg dus niet [knoː], maar begin direct met de n. Hetzelfde geldt voor alle Engelse woorden met kn- aan het begin: "knee" /niː/, "knife" /naɪf/, "knot" /nɒt/, "knock" /nɒk/, "knit" /nɪt/. In het Oudengels (cnāwan) werd de k nog uitgesproken; de spelling heeft hem bewaard.

De klinker is een tweeklank: Brits /əʊ/, Amerikaans /oʊ/. Hij begint met een middenklinker en glijdt naar een korte "oe". Het Nederlandse "o" in "boot" [boːt] is zuiver en glijdt niet. Maak de klank dus iets langer en laat hem aan het eind iets "dichtgaan".

De andere vormen:

- knows /nəʊz/ – klinkt precies als "nose" (neus). De s is een z. - knew /njuː/ (Brits), /nuː/ (Amerikaans) – klinkt als "new" (nieuw). Weer geen k. - known /nəʊn/ – de klinker is dezelfde als in "know". - knowing /ˈnəʊɪŋ/. - knowledge /ˈnɒlɪdʒ/ (Brits), /ˈnɑːlɪdʒ/ (Amerikaans) – let op: de klinker is hier kort, niet /əʊ/. Het woord "kennis" is dus niet "no-ledge". - know-how /ˈnəʊ haʊ/.

Klemtoon en verkorte vormen. In een gewone zin krijgt "know" geen sterke klemtoon: "I know her" /aɪ ˈnəʊ hɜː/ (Brits). In een korte antwoordzin wel: "I KNOW" /aɪ ˈnəʊ/. In de spreektaal wordt "do you know" vaak "d'you know" /dʒə ˈnəʊ/, "I don't know" wordt "dunno" /dəˈnəʊ/ en "you know" (als stopwoord) wordt "y'know" /jəˈnəʊ/. Je hoeft die vormen niet na te zeggen, maar je moet ze verstaan.

Gelijkklinkende woorden: know en no, knows en nose, knew en new.

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel A (Gedetailleerde Nederlands-Engelse Interlineaire Tekst)

46.1 I ik know weet-het

46.2 Do [vraag] you je know weet-het?

46.3 Let laat-het me me know weten

46.4 I ik know ken her haar

46.5 You je never maar-nooit know weet

46.6 I ik don't niet know weet his zijn name naam

46.7 We we know kennen each elkaar other [–] from van school school

46.8 She ze knows kent the de way weg to naar the het station station

46.9 Do [vraag] you je know weet where waar he hij lives woont?

46.10 I ik didn't niet know wist-dat you je could kon swim zwemmen

46.11 My mijn father vader knows kan how [–] to [–] fix repareren anything alles

46.12 I ik have [–] known ken her haar for al ten tien years jaar

46.13 As voor-zover far [–] as [–] I ik know weet, the de shop winkel is is closed dicht

46.14 Do [vraag] you je know weet what hoe time laat the de film film starts begint?

46.15 If als I ik had had known het-geweten, I ik would had have [–] called gebeld you je

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel B (Volledige Engelse Zinnen met Nederlandse Vertaling)

46.1 I know. Ik weet het.

46.2 Do you know? Weet je het?

46.3 Let me know. Laat het me weten.

46.4 I know her. Ik ken haar.

46.5 You never know. Je weet maar nooit.

46.6 I don't know his name. Ik weet zijn naam niet.

46.7 We know each other from school. We kennen elkaar van school.

46.8 She knows the way to the station. Ze kent de weg naar het station.

46.9 Do you know where he lives? Weet je waar hij woont?

46.10 I didn't know you could swim. Ik wist niet dat je kon zwemmen.

46.11 My father knows how to fix anything. Mijn vader kan alles repareren.

46.12 I have known her for ten years. Ik ken haar al tien jaar.

46.13 As far as I know, the shop is closed. Voor zover ik weet is de winkel dicht.

46.14 Do you know what time the film starts? Weet je hoe laat de film begint?

46.15 If I had known, I would have called you. Als ik het had geweten, had ik je gebeld.

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel C (Alleen Engelse Tekst)

46.1 I know.

46.2 Do you know?

46.3 Let me know.

46.4 I know her.

46.5 You never know.

46.6 I don't know his name.

46.7 We know each other from school.

46.8 She knows the way to the station.

46.9 Do you know where he lives?

46.10 I didn't know you could swim.

46.11 My father knows how to fix anything.

46.12 I have known her for ten years.

46.13 As far as I know, the shop is closed.

46.14 Do you know what time the film starts?

46.15 If I had known, I would have called you.

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel D (Grammaticale Uitleg)

Dit zijn de regels voor "know" in het Engels:

1. Eén werkwoord voor weten, kennen en kunnen. Het Engels kiest niet; de Nederlandse vertaling hangt af van wat erna komt. - Een feit, een antwoord of een bijzin: weten. "I know" (46.1), "I don't know his name" (46.6), "Do you know where he lives?" (46.9), "I didn't know you could swim" (46.10), "As far as I know, the shop is closed" (46.13). - Een persoon, plaats of ding waarmee je vertrouwd bent: kennen. "I know her" (46.4), "We know each other from school" (46.7), "She knows the way to the station" (46.8), "I have known her for ten years" (46.12). - Een vaardigheid: kunnen. "My father knows how to fix anything" (46.11). - Er is een grijs gebied: een naam kun je in het Nederlands zowel "weten" als "kennen". Het Engels heeft hier geen keuze: "I don't know his name" (46.6).

2. Onregelmatig: know – knew – known. "Knew" is de verleden tijd ("I knew it"), "known" is het voltooid deelwoord, na have/has/had of in de lijdende vorm: "I have known her" (46.12), "If I had known" (46.15), "He is known as…". Vergelijk grow – grew – grown, throw – threw – thrown, blow – blew – blown, draw – drew – drawn. Na do/does/did blijft het werkwoord de stam: "I didn't know" (46.10), niet "I didn't knew". In de derde persoon enkelvoud komt er een -s achter: "She knows" (46.8), "My father knows" (46.11). Een kort antwoord op "Do you know?" (46.2) is "Yes, I do." of "No, I don't.", met het hulpwerkwoord: niet "Yes, I know it."

3. Geen -ing-vorm; present perfect voor een doorlopende toestand. "Know" beschrijft een toestand, geen handeling. Zulke werkwoorden staan niet in de continuous vorm: "I know" (46.1), niet "I am knowing". Hetzelfde geldt voor "understand", "believe", "belong". Het Nederlands zegt "Ik ken haar al tien jaar" (tegenwoordige tijd + al). Het Engels gebruikt de present perfect: "I have known her for ten years" (46.12). Niet "I know her for ten years" en niet "I have been knowing her". Voor een moment in het verleden dat het begin aangeeft, gebruik je "since": "I have known her since 2016." Vergelijk les 45, regel 8: "I've been waiting" is een handeling die doorloopt; "I have known" is een toestand.

4. "Know how to" + infinitief (46.11). Dit betekent dat je iets kunt doen omdat je het hebt geleerd: "My father knows how to fix anything" = Mijn vader kan alles repareren. Je zegt "how to" + werkwoord, nooit alleen "to": niet "He knows to swim" en niet "He knows swimming". "Can" is korter en vaak even goed: "He can swim." "Know how to" legt meer nadruk op de kennis. Dezelfde bouw bestaat met andere vraagwoorden: "I don't know what to do" (Ik weet niet wat ik moet doen), "She knows who to ask" (Ze weet wie ze moet vragen).

5. Na "know" mag "that" wegvallen (46.10, 46.15). "I didn't know (that) you could swim." Het Nederlands heeft altijd "dat" nodig: Ik wist niet dat je kon zwemmen. Let ook op de woordvolgorde. De Nederlandse bijzin zet het werkwoord achteraan (dat je kon zwemmen); het Engels houdt de gewone volgorde onderwerp + werkwoord: "you could swim". Daarom staat in Deel A bij 46.10 "wist-dat": het Nederlandse "dat" heeft geen eigen Engels woord.

6. Indirecte vraag na "know" (46.9, 46.14). "Do you know where he lives?" Alleen de eerste vraag heeft het hulpwerkwoord "do"; de vraag die erin zit is een gewone mededeling, zonder do/does/did en zonder omkering: "where he lives", niet "where does he live". Zo ook "what time the film starts" (46.14) en, bij ja/nee-vragen, "if" of "whether": "Do you know if he is home?" (zie les 44, regel 6). Zonder "Do you know" is het weer een gewone vraag: "What time does the film start?" en "What time is it?" (zie les 45, regel 3). De fout "Do you know what time is it?" komt van het mengen van die twee.

7. "Let me know" (46.3). "Let" + persoon + stam, zonder "to": "Let me know", "Let him know", "Let us know". Het Nederlands: laat het me weten. Niet "Let me to know" en niet "Let know me". Beleefd, in een mail: "Please let me know if you have any questions."

8. Kennismaken. Voor de eerste ontmoeting gebruik je "meet": "Nice to meet you" (Aangenaam kennis te maken). Niet "Nice to know you". Het geleidelijk leren kennen is "get to know" (46.20 in het genre-deel): "I'd like to get to know you better" – Ik zou je graag beter leren kennen. Met "from" zeg je waar je iemand van kent: "I know him from school" (zoals 46.7), Nederlands: van school. Let op het woord "kennis". Het Nederlandse "kennis" heeft twee betekenissen: wat je weet, en iemand die je kent. "Een kennis van mij" is in het Engels "an acquaintance of mine", niet "a knowledge". Het Engelse "knowledge" betekent alleen het eerste, en het is ontelbaar: geen "knowledges".

9. Know about en know of. "Know about" = informatie hebben over: "He knows everything about football" (46.21 in het genre-deel). "Know of" = weten dat het bestaat, zonder het zelf te kennen: "I know of a good café near here." In een ontkenning: "Not that I know of" = voor zover ik weet niet.

10. Vaste uitdrukkingen. "As far as I know" (46.13) = voor zover ik weet. Formeler: "to my knowledge". "You never know" (46.5) = je weet maar nooit; "you" is hier "men". "I know" als reactie kan ook betekenen: ik ben het met je eens. "Know by heart" (46.22 in het genre-deel) = van buiten kennen. "I know this one!" (46.24) = Deze weet ik! Het Engels zet het voorwerp daar niet vooraan, het Nederlands wel.

De tekens in Deel A: [vraag] geeft het Engelse hulpwerkwoord "do/does" aan, dat in het Nederlands geen eigen woord heeft; [–] betekent: geen eigen Nederlands woord. Een koppelteken in het Nederlands (zoals "weet-het", "voor-zover", "het-geweten") betekent: de Nederlandse vertaling bestaat uit meer dan één woord of is gesplitst.

Veelgemaakte fouten:

- "I am knowing the answer." Juist: I know the answer. - "I know her for ten years." / "I know her since 2016." Juist: I have known her for ten years. / I have known her since 2016. - "I know to swim." / "I know swimming." Juist: I know how to swim. / I can swim. - "Do you know where does he live?" Juist: Do you know where he lives? - "I don't know it." (als je "Ik weet het niet" bedoelt) Juist: I don't know. - "Let me to know." Juist: Let me know. - "I didn't knew." / "I have knew." Juist: I didn't know. / I have known. - "Nice to know you." (bij een eerste ontmoeting) Juist: Nice to meet you. - "A friend of mine is a knowledge of him." Juist: He is an acquaintance of mine. - "He knew that he had right." Juist: He knew he was right. (Het Nederlandse "gelijk hebben" is in het Engels "to be right".)

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel E (Culturele Notitie)

"Know" staat in de frequentielijst waarmee deze cursus werkt op plaats 46. Het hoort bij de woorden die je meteen nodig hebt: "I don't know" is een van de eerste zinnen die je in elke taal leert.

"You know" als stopwoord. In de gesproken taal hoor je "you know" aan het eind of midden van een zin: "It was, you know, a bit awkward." Het Nederlands heeft er "weet je" en "zeg maar" voor. Het is geen vraag, en je verwacht geen antwoord. Een antwoord is wel nodig bij "You know what?" (Weet je wat?). Gebruik het stopwoord niet te vaak in een tekst of een sollicitatiegesprek.

Instemmen. "I know" betekent in een gesprek vaak niet "ik weet het", maar "ja, precies". "I know, right?" is informeel en betekent zoiets als "inderdaad, ik vind het ook".

Brits en Amerikaans. Een betweter heet in het Brits Engels "a know-all", in het Amerikaans "a know-it-all". "To be in the know" = op de hoogte zijn, ingewijd zijn. "On a need-to-know basis" = alleen wie het moet weten, krijgt het te horen (bijvoorbeeld bij vertrouwelijke informatie).

Wie weet? Het Nederlandse "Wie weet?" betekent "misschien". Het Engelse "Who knows?" betekent meestal "niemand weet het". Voor de Nederlandse betekenis zeg je "Maybe" of "You never know" (46.5).

"Weet ik veel" is in het Engels "How should I know?" of, beleefder, "I wouldn't know" (dat kan ik niet weten).

Kennis is macht. De Latijnse zin "ipsa scientia potestas est" ("kennis zelf is macht") staat in Francis Bacons Meditationes Sacrae (1597). De korte Engelse spreuk "Knowledge is power" wordt aan Bacon toegeschreven, maar in die vorm komt hij in zijn werk niet voor. De korte Latijnse vorm "scientia potentia est" staat voor het eerst in de Latijnse Leviathan van Thomas Hobbes (1668), die als jongeman Bacons secretaris was.

Schots. In het Schots bestaat nog het werkwoord "ken" (to ken = weten, begrijpen), dat verwant is aan het Nederlandse "kennen": "I dinnae ken" = ik weet het niet. In het algemeen Engels leeft het voort in "beyond my ken" (buiten mijn kennis, mijn bereik).

Beleefdheid in mails en berichten. Het Engels vraagt om bevestiging met "know": "Please let me know" (Laat het me alsjeblieft weten), "Do let me know if…", "As you know,…" (Zoals u weet,…). Een Nederlander schrijft vaak directer; "Please let me know" klinkt vriendelijker dan "Tell me".

Uitdrukkingen met "know":

- You never know. — Je weet maar nooit. - Before you know it — voor je het weet - Know the ropes — de kneepjes van het vak kennen - You should know better. — Je zou beter moeten weten. - know-how — kennis en kunde, vakkennis - Know your stuff — je vak verstaan - Not that I know of. — Voor zover ik weet niet. - I wouldn't know. — Dat kan ik niet weten. - I know what you mean. — Ik weet wat je bedoelt; ik begrijp je.

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel F (Literair Citaat)

John Keats, "Ode on a Grecian Urn", vijfde en laatste strofe, regels 49–50. Het gedicht is geschreven in 1819 en verscheen anoniem in 1820 in Keats' bundel Lamia, Isabella, The Eve of St. Agnes, and Other Poems. Engelse tekst volgens Wikisource (Keats, Poems published in 1820) en The Victorian Web. De plaats van de aanhalingstekens in de laatste regels verschilt per uitgave; hier volgen we de tekst van Wikisource. De Nederlandse vertaling hieronder is een letterlijke werkvertaling van het Latinum Institute, bedoeld om de zinsbouw te volgen, geen gepubliceerde literaire vertaling.

Deel F-A (Gedetailleerde Interlineaire Tekst)

"'Beauty schoonheid is is truth waarheid, truth waarheid beauty schoonheid,'—that dat is is all alles / Ye gij know weet on op earth aarde, and en all alles ye gij need nodig-hebt to [–] know weten." - John Keats, "Ode on a Grecian Urn"

Deel F-B (Volledige Vertaling)

"'Beauty is truth, truth beauty,'—that is all / Ye know on earth, and all ye need to know."

Werkvertaling: "'Schoonheid is waarheid, waarheid schoonheid' – dat is alles / wat gij op aarde weet, en alles wat gij moet weten."

Deel F-C (Literaire Analyse)

Deze twee regels sluiten een gedicht over een Griekse vaas af. In de laatste strofe, die begint met "O Attic shape!", spreekt de dichter de vaas aan: een stille vorm, versierd met marmeren mannen en maagden, die blijft bestaan wanneer deze generatie verdwenen is, "a friend to man". Tot de mensen van latere tijden zegt de vaas: "Beauty is truth, truth beauty", en dat is alles wat zij op aarde weten en alles wat zij moeten weten.

Wie er precies spreekt, is een oud twistpunt. In de tekst van Wikisource staan alleen de woorden "Beauty is truth, truth beauty" tussen aanhalingstekens; dan is het de vaas die dat zegt en spreekt de dichter het slot zelf. The Victorian Web zet het hele slot tussen aanhalingstekens, en dan is alles van de vaas. Voor deze les maakt het niet uit: het gaat om het werkwoord.

"Know" staat twee keer in twee regels, en elke keer anders: "all ye know" is wat de mensen werkelijk weten; "all ye need to know" is wat ze moeten weten. Het slot zegt dus dat die twee dingen samenvallen. Het is een stellige bewering, en Keats legt haar in de mond van een stom voorwerp, een "silent form". Daar zit de spanning, en de regel wordt al twee eeuwen besproken.

Deel F-D (Grammaticale Aantekeningen)

- "ye know": "ye" is het oude woord voor "you" als onderwerp, hier meervoud (alle mensen). In modern Engels: "you know". Het Nederlands heeft "gij" (Vlaams en archaïsch) of "jullie". "Know" staat in de gewone tegenwoordige tijd, zonder -s. - "all ye need to know": "all" met een weggelaten betrekkelijk voornaamwoord: "all (that) ye need to know" = alles wat gij moet weten. Net als in regel 5 van Deel D (that weglaten) laat het Engels "that" weg. Het Nederlands heeft altijd "wat" of "dat" nodig. - "need to know": "need" + "to" + werkwoord. Ook de uitdrukking "on a need-to-know basis" (Deel E) komt uit deze constructie. - "that is all" = dat is alles. Het onderwerp "that" verwijst terug naar de zin "Beauty is truth, truth beauty". - "Beauty is truth, truth beauty": in de tweede helft is "is" weggelaten (ellips). Het Nederlands kan dat ook: "schoonheid is waarheid, waarheid schoonheid". - "on earth" = op aarde. Dit is geen voorzetsel + lidwoord, want "earth" staat hier zonder "the": zoals in "heaven and earth". - De gedachtestreep voor "that" (—that) markeert een kleine pauze voor de afsluitende zin.

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Genre Deel: Verhaal — De pubquiz in Whitby

Joost, een Nederlandse student, logeert een week in Whitby, een havenstad aan de Engelse oostkust. De pub en de mensen in dit verhaal zijn verzonnen. Op donderdagavond neemt hij voor het eerst deel aan een pubquiz.

Deel A (Gedetailleerde Nederlands-Engelse Interlineaire Tekst)

46.16 Joost Joost knew kende nobody niemand in in Whitby Whitby

46.17 "Did [vraag] you je know wist-dat there er is is a een pub pub- quiz quiz tonight vanavond?" asked vroeg the de woman vrouw at van the het hostel hostel

46.18 "I ik didn't niet know wist that dat," said zei Joost Joost. "Can kan anyone iedereen come meedoen?"

46.19 "Of natuurlijk course [–]," she ze said zei. "Everybody iedereen knows kent the de rules regels: no geen phones telefoons."

46.20 At in the de pub pub, Joost Joost soon snel got leerde to [–] know kennen the het team team

46.21 There daar was zat Frank Frank, who die knew wist everything alles about van football voetbal

46.22 Dot Dot, a een retired gepensioneerde teacher lerares, knew kende every elk poem gedicht by van heart buiten

46.23 The de quizmaster quizmaster asked vroeg-naar for [–] the de capital hoofdstad of van Australia Australië, and en the de whole hele table tafel thought dacht they [–] knew het-te-weten it [–]

46.24 "I ik know weet this deze one [–]!" said zei Frank Frank, and en then toen he hij went werd quiet stil

46.25 "Think denk-na!" said zei Dot Dot. "I ik know weet-dat you je know weet it het."

46.26 Then toen Joost Joost whispered fluisterde, "Canberra Canberra. I ik have [–] known weet that dat since sinds primary basis- school school."

46.27 The het team team wrote schreef it het down op, but maar nobody niemand knew wist if of he hij was had right gelijk

46.28 "Canberra Canberra is is correct goed," said zei the de quizmaster quizmaster. "How hoe did [vraag] you je know wist-dat?"

46.29 Joost Joost smiled glimlachte. "Everybody iedereen knows weet that dat," he hij said zei-hij

46.30 "Come kom again weer next volgende week week," said zei Dot Dot. "Now nu you je know weet where waar we we are zijn."

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel B (Volledige Engelse Zinnen met Nederlandse Vertaling)

46.16 Joost knew nobody in Whitby. Joost kende niemand in Whitby.

46.17 "Did you know there is a pub quiz tonight?" asked the woman at the hostel. "Wist je dat er vanavond een pubquiz is?" vroeg de vrouw van het hostel.

46.18 "I didn't know that," said Joost. "Can anyone come?" "Dat wist ik niet," zei Joost. "Kan iedereen meedoen?"

46.19 "Of course," she said. "Everybody knows the rules: no phones." "Natuurlijk," zei ze. "Iedereen kent de regels: geen telefoons."

46.20 At the pub, Joost soon got to know the team. In de pub leerde Joost het team snel kennen.

46.21 There was Frank, who knew everything about football. Daar zat Frank, die alles van voetbal wist.

46.22 Dot, a retired teacher, knew every poem by heart. Dot, een gepensioneerde lerares, kende elk gedicht van buiten.

46.23 The quizmaster asked for the capital of Australia, and the whole table thought they knew it. De quizmaster vroeg naar de hoofdstad van Australië, en de hele tafel dacht het te weten.

46.24 "I know this one!" said Frank, and then he went quiet. "Deze weet ik!" zei Frank, en toen werd hij stil.

46.25 "Think!" said Dot. "I know you know it." "Denk na!" zei Dot. "Ik weet dat je het weet."

46.26 Then Joost whispered, "Canberra. I have known that since primary school." Toen fluisterde Joost: "Canberra. Dat weet ik al sinds de basisschool."

46.27 The team wrote it down, but nobody knew if he was right. Het team schreef het op, maar niemand wist of hij gelijk had.

46.28 "Canberra is correct," said the quizmaster. "How did you know?" "Canberra is goed," zei de quizmaster. "Hoe wist je dat?"

46.29 Joost smiled. "Everybody knows that," he said. Joost glimlachte. "Dat weet iedereen," zei hij.

46.30 "Come again next week," said Dot. "Now you know where we are." "Kom volgende week weer," zei Dot. "Nu weet je waar we zijn."

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel C (Alleen Engelse Tekst)

46.16 Joost knew nobody in Whitby.

46.17 "Did you know there is a pub quiz tonight?" asked the woman at the hostel.

46.18 "I didn't know that," said Joost. "Can anyone come?"

46.19 "Of course," she said. "Everybody knows the rules: no phones."

46.20 At the pub, Joost soon got to know the team.

46.21 There was Frank, who knew everything about football.

46.22 Dot, a retired teacher, knew every poem by heart.

46.23 The quizmaster asked for the capital of Australia, and the whole table thought they knew it.

46.24 "I know this one!" said Frank, and then he went quiet.

46.25 "Think!" said Dot. "I know you know it."

46.26 Then Joost whispered, "Canberra. I have known that since primary school."

46.27 The team wrote it down, but nobody knew if he was right.

46.28 "Canberra is correct," said the quizmaster. "How did you know?"

46.29 Joost smiled. "Everybody knows that," he said.

46.30 "Come again next week," said Dot. "Now you know where we are."

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Deel D (Grammaticale Uitleg bij het Verhaal)

Een verhaal staat in de verleden tijd, en daarmee komen de onregelmatige vormen van "know" in beeld. Het pubquizverhaal laat bijna alle gebruiken zien:

- Verleden tijd "knew": "Joost knew nobody" (46.16), "Frank, who knew everything about football" (46.21), "nobody knew if he was right" (46.27). Na "didn't" of "did" blijft het "know": "I didn't know that" (46.18), "How did you know?" (46.28). Het voltooid deelwoord "known" staat in 46.26: "I have known that since primary school". Het Nederlands zegt: Dat weet ik al sinds de basisschool. "Primary school" is Brits; in Amerikaans Engels heet het "elementary school". - "Did you know…?" (46.17) is de gewone manier om nieuws aan te kondigen: Wist je dat…? Het Engels gebruikt hier de verleden tijd. De vraag gaat over het moment waarop je het kon hebben gehoord. "Do you know there is a pub quiz?" is ook mogelijk, maar minder gewoon. - "I didn't know that" (46.18). Het Nederlands zet "dat" voorop (Dat wist ik niet). Het Engels houdt de gewone volgorde: onderwerp, werkwoord, voorwerp. - "Everybody knows the rules" (46.19): kennen. Het onderwerp "everybody" is enkelvoud en krijgt dus "knows". Hetzelfde in 46.29: "Everybody knows that". Het Nederlands zegt daar weer: Dat weet iedereen. - "Get to know" (46.20) = leren kennen. "Joost soon got to know the team": het leren kennen kost tijd. "Meet" is alleen de eerste kennismaking. - "Know about" (46.21): "knew everything about football" = alles van voetbal wist. Je kunt ook zeggen "know a lot about", "know nothing about". Het Nederlands zegt "van" of "over". - "By heart" (46.22): "knew every poem by heart" = kende elk gedicht van buiten. "Learn by heart" = van buiten leren. - "Thought they knew it" (46.23): na "think" kan "that" wegvallen. Het Nederlands heeft hier een andere bouw: dacht het te weten, met "te" + infinitief. - "I know this one!" (46.24): "this one" is hier "this question". "One" vervangt het zelfstandig naamwoord. Het Nederlands zet het voorwerp voorop: Deze weet ik! - "I know you know it" (46.25): twee keer "know", en tussen "know" en "you" geen "that". Het Nederlands heeft er "dat" tussen: Ik weet dat je het weet. - "Nobody knew if he was right" (46.27): "if" = of (les 44). Let op: "was right" = had gelijk. Het Engels gebruikt "to be right", het Nederlands "gelijk hebben". Niet "he had right". - "Now you know where we are" (46.30): indirecte vraag zonder inversie, zoals in regel 6 van Deel D. "Now you know" is ook een vaste uitdrukking aan het eind van een uitleg: nu weet je het.

Het teken [vraag] in Deel A geeft het Engelse hulpwerkwoord "do/did" aan; [–] betekent: geen eigen Nederlands woord; een koppelteken (zoals "wist-dat" of "vroeg-naar") betekent dat de Nederlandse vertaling uit meer dan één woord bestaat. De zinnen in dit verhaal gebruiken Brits Engels: "pub quiz", "hostel", "primary school".

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

Uitspraak- en Spellingnotities

- "know" /nəʊ/ (Brits), /noʊ/ (Amerikaans): de k is stil. Niet de Nederlandse [kn] van "knie". Zo ook "knee", "knife", "knot", "knock". - "know" klinkt als "no"; "knows" als "nose" /nəʊz/; "knew" als "new" /njuː/ (Brits), /nuː/ (Amerikaans). - "known" /nəʊn/; "knowing" /ˈnəʊɪŋ/; "knowledge" /ˈnɒlɪdʒ/ (Brits) met een korte klinker en de spelling -dge. - Spelling: altijd k-n-o-w. De vormen: know, knows, knew, known, knowing. Niet "knowed", niet "knowen". - In het verleden: "didn't know", niet "didn't knew". Met have: "have known", niet "have knew". - "know-how" schrijf je met een koppelteken. - "Know-all" (Brits) en "know-it-all" (Amerikaans) hebben koppeltekens. - Verkorte spreektaalvormen ("dunno", "y'know") schrijf je alleen in informele teksten, bijvoorbeeld in dialogen. - Aanhalingstekens: Brits Engels gebruikt vaak enkele aanhalingstekens ('Beauty is truth'), Amerikaans dubbele ("Beauty is truth"). In de gedichttekst hierboven staan enkele binnen dubbele.

✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾ ✾ ❦ ✾ ❦ ✾

---

Course Index: [latinum.substack.com/p/index](https://latinum.substack.com/p/index)

← Lesson 45 ↩ Course Index